Avontuurlijke Kerstdagen in Himachel Pradesch
Kerstmis is de afgelopen jaren aan een enorme opmars bezig in India. Dat lijkt raar, in een land waar 80% van de bevolking uit Hindoes bestaat en slechts 2,3% van de bevolking Christen is. Maar elke gelegenheid om te eten wordt met open armen ontvangen.
2252
post-template-default,single,single-post,postid-2252,single-format-standard,eltd-core-1.0.3,ajax_fade,page_not_loaded,,borderland-ver-1.13, vertical_menu_with_scroll,smooth_scroll,wpb-js-composer js-comp-ver-5.1.1,vc_responsive

AVONTUURLIJKE KERSTDAGEN IN HIMACHAL PRADESCH

Kerstmis is de afgelopen jaren aan een enorme opmars bezig in India. Dat lijkt raar, in een land waar 80% van de bevolking uit Hindoes bestaat en slechts 2,3% van de bevolking Christen is. Maar elke gelegenheid om te eten wordt met open armen ontvangen. Daar komt bij dat de jongere generatie zeer gericht is op het westen. Justin Bieber, Netflix, Starbucks, westerse invloeden zijn in en Kerst hoort daar ook bij.

Samen met de CEO en hoofd van de familie Ajay smeed ik plannen voor een kersttrip met mijn Indiase familie. Onze keus valt op Dalhousie, een bergstation in de Noordelijke provincie Himachal Pradesh, in 1854 door de Britse overheersers gesticht als zomerverblijf, voor de troepen. Dit bergstation ligt aan de voet van de westerse Himalaya, omringd door bergtoppen met eeuwige sneeuw en bevindt zich op ruim 2,700 meter hoogte. Ruim tien uur rijden vanuit Delhi.

OPBOUWENDE SPANNING
In de dagen voor vertrek bouwt de spanning in huis langzaam op. We kopen thermo ondergoed en bergschoenen. Hotels worden geboekt en geannuleerd. Verre familieleden gaan mee en annuleren. Maar het enige wat gestaag door gaat is de koortsachtige bedrijvigheid in de keuken. Als er wordt gereisd, wordt er gegeten.

Een compromis tussen nachtelijke mistbanken en mijn ochtendhumeur levert een gewenste vertrektijd van 3:00 ’s nachts op. Met een bescheiden vertraging vertrekken we rond 4:30.  De kofferbak gaat met moeite dicht.

Valse start. Een lekke band. Bij het verwisselen breekt een bout af. Ik google ‘bout band kapot’. Er wordt geadviseerd stapvoets naar de dichtstbijzijnde garage te rijden. We slalommen met 120 km per uur om koeien, paard en wagen, fietsende kinderen en brommers op de snelweg. Af en toe een spookrijdende vrachtwagen. De peuter dartelt van voor naar achter door de auto. Gordels en kinderzitjes zijn niet nodig.

AUTOBANDPLAKMAN
Een andere band lijkt langzaam leeg te lopen. We stoppen bij een tankstation. Het is vijf uur ’s ochtends. Binnen tien minuten is de autobandplakman wakker gemaakt, heeft ie zijn dieselaggregaat een slinger gegeven en heb ik mijn eerste kopje thee te pakken. Het is India ten voeten uit. Van niets iets maken. Een enorme vindingrijkheid. En een oplossing, als je hem het minst verwacht.

Het is mijn beurt om te rijden. De familie kijkt met argusogen toe. Indiaas autorijden is een vak apart. Kruispunten benader je in volle vaart, om pas op het kruispunt te bepalen hoe je je medeweggebruikers gaat ontwijken. Invoegen doe je met oogkleppen op, op goed geluk. Inhalen doe je rechts, links, en bij voorkeur vlak voor een onoverzichtelijke bocht, terwijl je tegemoet komend verkeer de berm in dwingt. Ik word snel weer naar de achterbank verbannen, tussen rijbewijs loze moeder en peuter. Moeder voert me nootjes.

Het landschap verandert van dor, geel en stoffig in groen en heuvelachtig. We beginnen te klimmen. De losse bout in de band begint ons toch wat zorgen te baren. We stoppen bij een garage.

Mijn motor met kuren en ik zijn kind aan huis in de Indiase garage. Een bezoek bestaat meestal uit op luide toon discussïeren met minimaal zes mannen (waarbij van minimaal 50% hun rol volstrekt onduidelijk is) en lang wachten in een wachtruimte, waar je cricket kijkt en thee drinkt.

Er was mij een kopje thee beloofd, maar het euvel is al verholpen.

We stappen weer in.

SMALLE BERGPASSEN, GEEN VANGRAILS
We zijn dertien uur onderweg. We beginnen te klimmen. De laatste 200 kilometer bestaat uit non stop haarspeldbochten. Smalle bergpassen, geen vangrails. Het uitzicht is fantastisch, maar ik durf amper te kijken. Moeders en ik worden allebei eterig van stressvolle situaties. Er gaan zakken chips doorheen op de achterbank.

Dan slaat het noodlot toe. We staan boven op een donkere bergtop, en we staan stil. Een onheilspellend gekraak uit de motor. We komen niet meer voor of achteruit.

Ajay gaat op mijn laptop een factuurtje uittypen voor zijn sokkenonderneming. We zitten vast op een besneeuwde bergtop, het wordt nacht, en ook al gaan onze batterijen een voor een uit, zaken gaan voor. Ondertussen hangt hij aan de lijn met het hotel, een garage, en zijn personeel op kantoor. Hij denkt dat de autopech door zijn nieuwe blauwe schoenen komen en wurmt zich met sokken en al in zijn teenslippers.

De sleepwagen begint aan de lange tocht de bergen in, vanuit dezelfde garage waar wij eerder die dag waren, en mijn kopje thee waarschijnlijk nog staat af te koelen.

En weet je wat echt bijzonder is? We zitten zeventien uur lang in de auto met zijn vijven. We overleven twee lekke banden, vier garages en urenlang haarspeldbochten. Maar er valt geen onvertogen woord. Niemand zeikt. Niemand verliest zijn geduld. We nemen de dingen zoals ze komen. Moeders zit onder een deken en trekt een zakje chips open.

Eindelijk, we zien koplampen traag de berg opklimmen. De taxi. We hevelen alle bagage over. Als een van de allerlaatste items ons kleine kerstboompje.

Kerst in de Himalaya.

Ik geloof dat ik er klaar voor ben…

————-

Ps. Hoe het afliep? De blauwe schoenen bleven achter op de berg. We hebben midden in de nacht de auto op de sleepwagen getakeld. Twee dagen met auto en chauffeur rondgekacheld. En de auto opgehaald in dezelfde garage, twaalf uur rijden verderop.

En ja, dit keer kreeg ik wel mijn kopje thee.

Dus waar maak je je druk om?

 

MEER: